Samenvatting
George Ide Butler groeide op in een gezin in Vermont dat in 1839 de adventboodschap van de Millerieten omarmde — vijf jaar voordat hij tien werd, het jaar van de Grote Teleurstelling. Hij diende de Zevende-dags Adventistenkerk dertig jaar lang (1865–1888 en 1901–1908) als predikant, conferentievoorzitter en tweemaal als voorzitter van de Algemene Conferentie (1872–1874 en 1880–1888). Van 1881 tot 1889 was hij voorzitter van de Review and Herald Publishing Association. Hij nam op de conferentie van Minneapolis in 1888 op opvallende wijze sterk afstand van E. J. Waggoners leer over de wet in Galaten, en werd in de jaren daarna door Ellen White via brieven en getuigenissen terechtgewezen. Na twaalf jaar voor zijn invalide vrouw in Florida te hebben gezorgd, keerde hij in 1901 met een verzacht gemoed terug in actieve dienst, diende als voorzitter van de Southern Union van 1902 tot 1907 en stierf op 25 juli 1918 in Florida.
Afkomst uit Vermont (1834–1853)
Steinwegs Lest We Forget beschrijft de familiegeschiedenis: “Butlers familie was diep geworteld in de Amerikaanse geschiedenis. Zijn grootvader, Ezra Pitt Butler, Sr., diende in de Amerikaanse Revolutie, was gouverneur van de staat Vermont van 1826 tot 1828, raadslid, rechter, universiteitsbestuurder en predikant van de Waterbury Baptist Church in Vermont. Zijn vader, Ezra Pitt Butler, Jr., was kapitein in de Oorlog van 1812. Hij was voorstander van geheelonthouding, anti-vrijmetselarij en de afschaffing van de slavernij. In dit gewetensvolle, patriottische gezin werd George Ide Butler op 12 november 1834 geboren, als tweede van zes kinderen” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 313, ¶ 3).
Het gezin omarmde al vroeg de adventboodschap van de Millerieten. Steinweg schrijft: “Hij was vijf jaar oud toen zijn ouders het nieuws aanvaardden van de spoedige komst van Christus, gepredikt door de Millerieten onder leiding v .” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 313, ¶ 4). Na de Grote Teleurstelling van 22 oktober 1844 bleef het gezin in het adventgeloof, maar de jongen begon twijfels te koesteren. Tegen 1848 was zijn moeder onder invloed van de prediking van Joseph Bates de zevende-dags sabbat gaan houden, en tegen 1850 deed zijn vader dat ook. Steinweg voegt hieraan toe: “Het duurde niet lang voordat hij tot predikant werd gewijd, hoewel hij zichzelf beschouwde als louter een getuigende boer” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 313, ¶ 6).
Butler zelf keek terug op zijn late tienerjaren en gaf een openhartige beoordeling van zijn vroegere zelf als een “trotse, stijve, koppige ongelovige, gepassioneerd, opvliegend, met weinig eerbied voor God of de mens” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 313, ¶ 7). Hij hechtte niettemin waarde aan eerlijkheid en moraliteit, vastbesloten als hij was, in de woorden van Steinweg, om diverse wereldse vermakelijkheden te ‘mijden’ (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 313, § 7).
Bekeering en huwelijk (1856–1859)
In 1856, tijdens een reis per rivierboot naar Kansas City, stapte Butler uit in Rock Island terwijl de boot was aangemeerd om vracht te laden. Steinweg beschrijft het moment: “Tegen de tijd dat hij terugkeerde naar de stoomboot, had hij zijn besluit genomen om de goede delen van de Bijbel te volgen.” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 313, ¶ 8). Toen hij terugkeerde naar zijn huis in Waukon, Iowa, werd hij gedoopt door J. N. Andrews; later predikte M. E. Cornell in Waukon en overtuigde hem ervan dat de getuigenissen van Ellen White van God afkomstig waren. Hij trouwde op 10 maart 1859 met Lentha Lockwood en ze kregen drie kinderen: Annie en een tweeling, William Pitt en Hiland George.
Iowa Conference en het eerste voorzitterschap van de General Conference (1865–1874)
Steinweg beschrijft zijn snelle opkomst in de kerk: “Butler werd in 1865 tot voorzitter van de Iowa Conference gekozen. Hij werkte hard om het versplinterende effect tegen te gaan van B. F. Snook en W. H. Brinkerhoff, die kritiek hadden op de Whites. Deze mannen, voorheen voorzitter en secretaris van de nieuw opgerichte Iowa State Conference, hadden in de hele staat een afvalligheid in gang gezet die begon bij de gemeente in Marion. Butler bezocht persoonlijk de ene na de andere kerk om de leden de waarheid te onderwijzen en hun invloed tegen te gaan. Onder zijn bekwame leiding groeide de kerk in Iowa zeer sterk” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 314, ¶ 10).
In 1872 werd Butler tot voorzitter van de General Conference gekozen, en de conferentie stemde ervoor dat hij de particuliere school van G. H. Bell in Battle Creek tot een hogeschool zou omvormen. Steinweg vermeldt de data: “Op 31 december 1873 werd de overeenkomst gesloten voor de aankoop van een terrein van 12 acre voor de nieuwe hogeschool.” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 314, ¶ 12). In dezelfde paragraaf worden de kosten en de opening vermeld: “Er werd 50.000 dollar aan toezeggingen ingezameld om een roodbakstenen gebouw op te richten. Op 24 augustus 1874 begonnen de lessen tijdelijk in het Review-gebouw en op 4 januari 1875 werd de verhuizing naar het voltooide gebouw voltooid” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 314, ¶ 12).
Tweede voorzitterschap van de Algemene Conferentie (1880–1888)
Toen Butler in 1880 de ernstig zieke Ellen White bezocht, drong zij er bij hem op aan om het voorzitterschap van de Algemene Conferentie voor een tweede keer op zich te nemen. Steinweg beschrijft zijn reactie: “Hij huilde, maar stemde ermee in” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 315, ¶ 14). Zijn tweede ambtstermijn begon eind 1880 en was een moeilijke periode — leiding geven onder de invloed van James White, die het niet kon of wilde loslaten. Steinweg voegt hieraan toe: “Ondanks deze druk huilde Butler, toen broeder White op 6 augustus 1881 aan malaria stierf, alsof het zijn eigen vader was” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 315, ¶ 15).
Van 1881 tot 1889 was Butler tevens voorzitter van de Review and Herald Publishing Association: “In deze hoedanigheid oefende hij een grote invloed uit op de opbouw en uitbreiding van de uitgeverijbelangen van de kerk” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 316, ¶ 18). Hij reisde in 1883 door Europa en in 1885 door Australië en Nieuw-Zeeland.
De conferentie van Minneapolis in 1888 en de nasleep daarvan (1886–1893)
In 1886 begon de controverse over de wet in Galaten in de kerk de kop op te steken. E. J. Waggoner, redacteur van de Signs of the Times, en A. T. Jones, redacteur van de American Sentinel, publiceerden hun overtuigingen over gerechtigheid door geloof in de Signs. Tijdens de Algemene Conferentie van 1886 riep Butler een theologische commissie bijeen die besloot dat de “wet” in Galaten verwees naar de “hele wet”; het bestuur van de Algemene Conferentie nam vervolgens een beleid aan dat de publicatie van leerstellige standpunten die niet door de meerderheid werden gedeeld, beperkte totdat de broeders met ervaring deze hadden onderzocht (zie Lest We Forget, hfst. 155, blz. 316, ¶ 18).
Ellen White's advies aan Butler op dat moment, in hetzelfde jaar, was dat de adventistische kranten niet als een eenzijdig platform mochten worden gebruikt. Steinweg citeert: “Dr. Waggoner zou net zo'n eerlijke kans moeten krijgen als u hebt gehad” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 316, ¶ 19).
Butler was te ziek om de Algemene Conferentie van 1888 in Minneapolis bij te wonen. Vanuit zijn ziekbed schreef hij brieven en telegrammen waarin hij de leiding aanspoorde om vast te houden aan de “oude oriëntatiepunten”. Toen ouderling Jones en dr. Waggoner hun visie op gerechtigheid door geloof presenteerden, schrijft Steinweg: “Ellen White was erdoor ontroerd. Maar het werd niet aanvaard door de algemene vergadering van afgevaardigden vanwege de invloed van leiders als Butler” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 316, ¶ 20). Steinweg citeert uit Ellen Whites laatste preek op die Algemene Conferentie: “Ik zie de schoonheid van de waarheid zoals de dokter die ons heeft voorgelegd” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 316, ¶ 20).
In april 1887 had Ellen White Butler en Uriah Smith duidelijk geschreven. Het bijbehorende essay in Lest We Forget legt haar woorden vast: “Ik wil niet dat de brieven die ik jullie heb gestuurd, zo worden gebruikt dat jullie ervan uitgaan dat jullie ideeën allemaal juist zijn en die van dr. Waggoner en ouderling Jones allemaal verkeerd” (Lest We Forget, hfst. 154, blz. 309, ¶ 3).
De jaren in Florida (1888–1901)
Na 1888 voelde Butler zich afgewezen door de conferentie en door Ellen White. Steinweg schrijft: “Ontmoedigd verhuisden hij en zijn vrouw naar een boerderij van 110 acre in Bowling Green, Florida. Daar kreeg zijn vrouw een beroerte en George verzorgde haar tot haar dood in november 1901. Hij had veel tijd om na te denken.” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 317, ¶ 21). In 1893 schreef hij aan S. N. Haskell ( , waarin hij (in Steinwegs parafrase) erkende dat de kerk veel goeds had ondervonden van het extra licht op de gerechtigheid van Christus.
Het begeleidende essay in Lest We Forget over deze periode vermeldt dat de jaren waarin hij voor zijn invalide vrouw zorgde een louterende school waren. Steinweg citeert Ellen Whites bevestiging uit 1902: “We verwelkomen hem opnieuw in onze gelederen en beschouwen hem als een van onze meest waardevolle arbeiders” (Lest We Forget, hfst. 154, blz. 311, ¶ 21). En opnieuw, in mei 1902, toen Butler was teruggekeerd naar het werkveld: “Ouderling Butler is sterk in lichamelijke en geestelijke gezondheid. De Heer heeft hem beproefd en op de proef gesteld” (Lest We Forget, hfst. 154, blz. 311, ¶ 23).
De Southern Union en de laatste jaren (1902–1918)
Steinweg beschrijft Butlers terugkeer: “Butler werd in 1902 tot voorzitter van de Florida Conference gekozen en bekleedde die functie tot en met 1904. Van 1902 tot 1907 was hij voorzitter van de Southern Union. Hij was lid van het uitvoerend comité van de General Conference. Als gevolg van zijn bekwame leiderschap werd de drukkerij (Southern Publishing Association) in 1906 verplaatst naar Nashville. Onder zijn leiding werden acht scholen opgericht, met in 1908 een inschrijving van 300 studenten” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 317, ¶ 22).
Tijdens de Kellogg-crisis van 1907–1908 stond Butler pal achter de getuigenissen. Steinweg vermeldt zijn antwoord toen A. T. Jones verklaarde dat hij achter het sanatorium zou blijven staan, “getuigenissen of geen getuigenissen”: “Ik zal achter de getuigenissen blijven staan, sanatorium of geen sanatorium” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 317, ¶ 23).
Lentha Butler was in 1901 overleden. Op 8 oktober 1907 trouwde Butler met Elizabeth Grainger, een tweeënzestigjarige weduwe en voormalig zendelinge in Japan, en vestigde zich in Twin Magnolias — een sinaasappel- en pecannotenboerderij in Bowling Green, Florida. Hij ging begin 1908 met pensioen, maar bleef prediken en reizen.
Overlijden (1918)
Steinweg beschrijft het einde: “Butlers gezondheid was toen aanzienlijk achteruitgegaan. In juni stelde zijn arts vast dat hij kanker had. Hij stierf op 25 juli 1918 in het huis van de dochter en schoonzoon van zijn vrouw.” (Lest We Forget, hfst. 155, p. 318, ¶ 27). In dezelfde paragraaf wordt de omvang van zijn begrafenis beschreven, waarbij dertien collega-predikanten de dienst leidden en nog eens zes als ere-kistdragers optraden.
Steinwegs afsluitende beoordeling markeert zowel Butlers levenslange leiderschap als de lessen van zijn grootste crisis: “Butlers trouw in het aangezicht van tegenstand en zijn toewijding aan het opbouwen van het uitgeverij- en onderwijswerk en aan het verdedigen van de waarheid inspireren gelovigen vandaag de dag, die geconfronteerd worden met de monumentale laatste gebeurtenissen in de geschiedenis van deze aarde, tot soortgelijke daden” (Lest We Forget, hfst. 155, blz. 318, ¶ 28).